LJN: BJ1143, Raad van State, 200805725/1/M2
- Procesverloop
- Overwegingen
- Op dit geding is de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) van toepassing.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing
200805725/1/M2. Datum uitspraak: 1 juli 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: appellante, wonend te woonplaats, en het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) aan vergunninghoudster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een veehouderij aan de locatie te plaats. Dit besluit is op 19 juni 2008 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 augustus 2008. Het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2009, waar het college vertegenwoordigd door G. Haandrikman is verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door gemachtigde, als partij gehoord.2. Overwegingen
2.1. Op dit geding is de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) van toepassing.
2.2/. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen en; b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, wordt een vergunning, indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt. 2.3/. appellante is beducht voor geurhinder. Volgens haar heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen reden is om de gevraagde vergunning te weigeren, gezien het vee dat op grond van een eerder op 28 april 1998 verleende vergunning mocht worden gehouden. 2.3.1. Ten aanzien van de dieren waarop de bij het bestreden besluit verleende vergunning betrekking heeft, zijn niet bij ministeriële regeling geuremissiefactoren vastgesteld. Artikel 4, eerste en derde lid, van de Wet geurhinder vormt daarom het toetsingskader voor de beoordeling van het geuraspect. 2.3.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning niet voldoet aan artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder. Het geschil spitst zich toe op de vraag of artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder toepassing vindt. 2.3.3. Gezien het bestreden besluit is het college bij de beoordeling of ten opzichte van de eerder op 28 april 1998 verleende vergunning sprake is van een toename van het aantal in de inrichting te houden dieren uitsluitend uitgegaan van het aantal dieren dat wordt gehouden in de inrichting voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van de woning van appellante. Naar het oordeel van de Afdeling is dit onjuist. Op grond van artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder had het college moeten beoordelen of het totaal aantal dieren van diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, dat in de gehele inrichting wordt gehouden, toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Uit deze bepaling noch uit de toelichting daarop (TK 2005-2006, 30 453, nr. 3, p. 20) blijkt immers dat de reikwijdte ervan beperkt is tot slechts een bepaald gedeelte van de inrichting. 2.3.4. Bij het bestreden besluit is een vergunning verleend voor het houden van 220 stuks melk- en kalfkoeien en 40 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, op de locatie aan de locatie. Voor deze locatie is bij besluit van 28 april 1998 eerder een vergunning verleend voor het houden van 100 melkkoeien en 40 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Van een toename van het aantal in de inrichting te houden dieren is dus sprake, zodat de in artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder geregelde uitzondering geen toepassing vindt. Met inachtneming van het voorgaande leidt dit tot de conclusie dat de vergunning in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder is verleend. De beroepsgrond slaagt. 2.4/. Het beroep is gegrond. Nu het aspect geurhinder bepalend is voor de vraag of voor de inrichting een vergunning zoals aangevraagd kan worden verleend, komt het bestreden besluit in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg van 16 juni 2008, kenmerk 07-63; III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hardenberg aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; IV. gelast dat de gemeente Hardenberg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Beurmanjer-de Lange voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009 402.Deeplink
Indien u wilt verwijzen naar dit document, gebruik dan niet de URL uit de adresbalk maar de URL zoals hieronder. Deze link zal altijd verwijzen naar de laatste versie van dit document.Link naar website: http://wetboek.net/ljn/bj1143.html
Link naar mobiele site: http://wetboek.mobi/ljn/bj1143.html
::
.
